De sprekende bosviooltjes.

Naast een mooie woning, lag er een grote tuin met allerlei bloemen. Zeer kleurrijk was dat. De zoon wou graag in de leer gaan, als tuinier bij zijn vader. “Toch, zou ik eens een jaar, andere stielen willen leren kennen,” sprak de jongen. “Goed zo” antwoordde vader. Moeder stak een paar goudstukken in een geldbeugel, alsook enkele bosviooltjes. Ze hebben me altijd geluk bracht en soms spreken ze me toe” zei ze zacht. “Ik breng jullie dat geld terug” weervoerde de zoon “Ik wil werken voor mijn kost.” In de lente, verzorgde hij tuinen. In de zomer, werkte hij op het land. In de herfst, plukte hij druiven. Toen werd het winter. Hij vond werk in een gezellige herberg, om de schotels te wassen. “Geld vraag ik niet, wel kost en inwoon” vroeg de jonge man. Op een avond, hoorde hij, hoe jongelui een weddingschap sloten, om met de mooie dochter van de burgervader te trouwen. Twee andere jongens deden echter niet mee. Toen de laatste klanten verdwenen waren, volgde de jongen hun onopgemerkt. Zo gingen ze voorbij het huis van de burgervader en in het duister, zag hij aan het hekken, een zeer bekoorlijk meisje. Hij naderde en zag hoe ze een tuiltje bosviooltjes in haar handen droeg. Stil trok hij terug naar de herberg. Hij vertelde alles aan de herbergierster. Zij zag wel, dat haar bordenwasser meer kon dan dat. “Ik heb voor je een warme vest en goede laarzen neergezet, want uw schoenen zijn versleten” zei de waardin vriendelijk. Vroeg in de morgen, hoopte hij het aantrekkelijke meisje terug te zien. Haar zag hij niet, maar wel de burgervader, die op zijn koetsier wachtte. Toen deze niet kwam opdagen, bood de jonge man aan zijn plaats in te nemen. Net op dat ogenblik, kwam het meisje te voorschijn en stapte in. Tot zijn verbazing zag hij, dat de bosviooltjes uit zijn zak, zich neervleiden op de handen van het meisje. “Dank u” sprak ze blij, “Dit zijn mijn lievelingsbloemen.” “Ik schenk ze aan jou en ik kreeg ze van mijn moeder” antwoordde hij innig. “Kom, we houden hier halt aan deze mooie herberg” verzocht hij. De waard en de waardin knikten veelbetekend tegen elkaar. De jongen vertelde alles wat hij gezien en gehoord had. Het meisje nam een zijden doekje en stak de bosviooltjes in haar fluwelen tasje. Ze hoorde hun fluisteren “Wij brengen geluk.” Thuis gekomen, spraken de bosviooltjes dezelfde woorden. Dromerig verlangde het meisje de jongen terug te zien. Hetzelfde gold ook voor de bordenwasser. ’s Avonds waren de jongelui ook aanwezig in de afspanning.Ook de burgervader. “Ik heb jullie hulp nodig om de weg te versieren en de straten te vegen, wanneer mijn dochter trouwt,” klonk het bevelend. De twee jonge mannen, die niet deelmaakten aan de weddingschap, werden als bruidsjonkers en getuigen aangeduid. Een maand later had de bruiloft plaats. Alle genodigden droegen bosviooltjes. Alleen de betoverde bloempjes zongen “Lang zullen ze leven.” Aan de feesttafel, prijkten in zilveren vaasjes de geliefde bosviooltjes, gekocht met het geld, dat hij zijn ouders terug gaf.

Een reactie plaatsen

You must be ingelogd to post a comment.