De kleine prins gered.

Een jonge vorstin met haar gemaal waren zeer gelukkig met hun kleine prins. Bij zijn geboorte, stonden vier meters aan de wieg. De eerste wenste hem Durf toe. De tweede Voorzichtigheid. De derde Schoonheid en de vierde Goedheid. Hij groeide op en maakte zich deze deugden eigen. Zekere dag gingen ze naar het bos, dat vlakbij het paleis lag. In een open plek stonden drie hoge sparren, wat dieper een bank. Ze vertelden allerlei grapjes, maar… opeens was de kleine prins verdwenen. Ze hoorden hem roepen maar zagen hem niet. Ze zochten vertwijfeld maar vonden hem niet. Elke dag ging de koningin naar de plaats, waar haar zoontje plots verdwenen was en schreide uren lang. Plots stonden de vier meters van de kleine prins voor haar. De woudfee die hem Durf toegewenst had, sprak zacht “Zoveel tranen heb ik van jou opgevangen, genoeg om een vijver mee te vullen” en onmiddellijk lag er een vijver voor de drie sparren. Ik weet waar je zoontje is, hij is hier vlakbij, maar de heks, die hem geroofd heeft, woont hier. Ze verstaat echter de kunst zich onzichtbaar te maken. Als hij durf heeft, kan hij ontsnappen. Toen wenste de bloemenfee hem Voorzichtigheid toe. De derde en de vierde fee vonden, dat de vorsten zich daarover geen zorgen moesten maken. Van een paar takken lag er nu een roeibootje met twee roeisparen gereed. “Haar toverkunst gaat slechts tot aan de drie sparren.” De meters waren weg en de moeder hield de adem in. Ineens kwam er beweging in het bootje en een gemene stem riep “Wat! Dacht je te ontsnappen? Spring dan in het roeibootje als je durft.” “Ja, ik durf” klonk het fier en hij sprong. Woedend keerde de heks het bootje om, maar de woudfee had de vijver ondiep gemaak. De kleine prins zwom onder het water en gooide één voor één de roeispanen naar de heks als wapen. Maar de woudfee veranderde het water waarin de heks, stond in modder. “Zwem tot aan de drie sparren” riep de vorstin “Luister naar mijn stem.” Hij zwom nu onder water, zodat de heks hem niet meer kon zien. Net voor de drie sparren kwam hij boven. Bliksemsnel trok de vorstin hem uit het water en liep met hem net tot voor de drie sparren. Overgelukkig bekeken ze elkaar, de betovering was verbroken. In het paleis werd er een groot feest gegeven. “Die heks moet uit mijn land” sprak de koning. “Geen nood Sire,” klonk het uit de mond van een visser, die juist ontboden was. “Ik heb een heks in een roeibootje de rivier zien oversteken, op weg naar een ander land, dit is het bewijs. In een visnet stak de doorweekte punthoed van de heks. “Durf je hem in de haard gooien?” klonk het vragend. “Ja, ik durf” antwoordde de kleine prins en triomfantelijk gooide hij de hoed in het vuur. “Wat moederliefde toch vermag” antwoordde de vorst gemeend.

Een reactie plaatsen

You must be ingelogd to post a comment.