Een rode en een blauwe kaars.

Een tovenaar genoot van een verrassingspakketje en zag twee sierlijke gedraaide kaarsen, een rode en een blauwe. Omdat hij ze zo mooi vond, betoverde hij ze, opdat ze nooit meer zouden kunnen opbranden of uitwaaien. Alleen moesten ze aangestoken worden en uitgeblazen. Bij het eerste morgenrood ontstak hij de rode kaars en wanneer het nachtblauw te zien was, de blauwe. Zekere dag, ontmoette hij een bedelaar. “Waar woon je?” vroeg de tovenaar, “Nergens en overal” klonk het droevig. “Ik heb plaats in mijn tuinhuis, je mag mijn huisdieren verzorgen en eten” zei hij mild. De man aanvaarde graag het voorstel. Toen vertrok de tovenaar op reis. Zekere dag, zag hij, dat de twee kaarsen gestolen waren. Hij zocht maar het was hopeloos. Behalve de tovenaar en de man, kende niemand het geheim van de twee kaarsen. Het was bang afwachten… Zijn meester kwam terug. De man vertelde alles maar de tovenaar werd niet boos. Hij keek vlug in zijn glazen bol… en zag onmiddellijk de twee kaarsen. Ze stonden in het paleis, de rode kaars in een gouden kandelaar, de blauwe kaars in een zilveren kaarsenpan. “Trek je bedelaarsplunje weer aan” verzocht hij zijn knecht,”Ga bedelen aan het paleis van de koning en breng me de kaarsen terug.” “Tot uw dienst” antwoordde deze tegen zijn zin. Na een dag, stond hij aan de slotpoort van het paleis. Hij zag hofleveranciers en mengde tussen hen en zag een keukenvenster en bedelde om wat eten. “Een hartelijke kokkin gaf hem brood met worst en bier “Kom aardappelen schillen”. Hij zag in de keukenkast een doos met kaarsen en zwavelstokjes en in de hal, de betoverde kaarsen. Hij overwoog, hoe hij in de nacht de twee kaarsen kon bemachtigen en andere in de plaats zetten. Het werd nacht. Nooit was de slotpoort onbewaakt. In de wal wegzwemmen, zou de aandacht trekken. In zijn zolderkamertje zat de tovenaarsknecht te piekeren hoe hij kon verdwijnen. Stil sloop hij naar de rode kaars in de gouden kandelaar, maar ontzet merkte hij op, dat de zilveren kaarsenpan met de blauwe kaars weg was. Misschien had de koning ze bij zijn bed gesteld. Hij wachtte tot de de vorst sliep, maar stootte op de kaarsenpan, gelukkig op een dik tapijt waar men het niet hoorde. Nu vlug de tweede kaars. Hij daalde af naar de kelder en ontstak de kaarsen. Hij zat in de wijnkelder en ontdekte een kleine deur. Hij opende ze en zag een trap. “Gelukkig dat deze kaarsen niet kunnen opbranden” dacht hij luidop en ontstak ze. Van ver zag hij de sterrenhemel. Dit was een onderaardse gang! Hij lette op de valkuilen. Na een korte tijd stond hij buiten, een heel eind van de burcht, blij en verrast. Maar de grootste verrassing was, dat de tovenaar hem opwachtte in een koets. Voor het gemak had hij zijn twee honden veranderd in twee paarden. Tijdelijk. “Je bent tovenaar of je bent het niet hé” lachte hij voldaan.

Een reactie plaatsen

You must be ingelogd to post a comment.