Sneeuw

Wie tekende velden en wegen voor mij, zo smetteloos blank?

Gedempt is elk geluid, men hoort geen zucht, geen taal, noch klank.

Wie kleurde vensters en ramen? Daaraan lijken fijn als kant,

kristallen parels gehecht, met meesterlijke hand. Wie schetste, teer als een leliekelk

het land, een sprookje gelijk en toverde mij voor d’ogen,

een ijsfeeƫrie, uit slijk?

Wie gaat ginds in de verte, terwijl ik dromend voor het venster sta?

Kom en zie, in Gods ongereptheid

laat de mens zijn sporen na …

Een reactie plaatsen

You must be ingelogd to post a comment.