Twee tovenaars en een pientere jongen.

Midden in de nacht, werd een schrandere knaap gewekt, doordat een rukwind zijn vensterraam opende. Hij wou het raam sluiten, maar hoorde stemmen buiten. De jongen luisterde hoe zijn naam meermalen genoemd werd. Hij kwam naderbij en zag twee punthoeden in de tuin. “Twee tovenaars die mij kennen” mompelde hij nieuwsgierig. De ene stem klonk bars, de andere mild. “Laten we een weddingschap aangaan” besloten de magiërs. “Ik heb een reisgenoot nodig” zei de eerste tovenaar hoogmoedig. De andere voegde eraan toe “Ik wil hem opleiden tot boswachter; ik zie dat hij veel van de natuur houdt en dat hij het wild zal beschermen voor stropers”. De jongen dacht bij zichzelf, dat hij het beroep van boswachter wel aankon. Hij had er nooit bij stilstaan wat hij later zou worden. Beneden hadden zijn ouders een herberg en hij zou later ook de klanten kunnen bedienen. In het struikgewas luisterde echter ook een trol mee. “Ik denk dat ik weldra bezoek zal ontvangen” zei de pientere jongen halfluid toen hij het venster sloot en zag dat de twee gestalten zich verwijderden… Bij het ontbijt vertelde de jongen wat hij ’s nachts gehoord en gezien had. Iedereen was nu op zijn hoede. Inderdaad, de twee magiërs kwamen binnen maar zonder punthoed. Deze staken in hun reistas. Ze bestelden brood met kaas en rode wijn. De zoon keek naar zijn vader met een veelbetekende blik en had de tovenaars herkend. De opmerkzame jongen had op hun stem gelet. De tovenaars vroegen “Kunnen we wat eten meenemen, want het wordt een lange uitstap?” “Wat wensen de heren”? vroeg de jongen op beleefde toon. De tovenaars bekeken zich arglistig en ze kozen voor brood en eieren. “Hard of zacht gekookt”? vroeg de moeder. De eerste koos voor zeer hard en de tweede zacht. Toen vroegen ze aan de zoon van de herbergier “Willen we eens samen op stap gaan”? “Heel graag zelfs” antwoordde hij instemmend. Aan het woud gekomen deden ze hun reistas open “We zijn tovenaars en slechts één zal je opleiden” zegden ze op hun beurt. De verstandige jongen gebaarde dat hij hun voor het eerst gezien had en vroeg “Waarin bestaat de opleiding”? Met drie bogen ze zich nu over het reisplan. Op dit ogenblik had de trol, die hun gevolgd had, gewacht. Hij verwisselde de punthoeden met daarin de eieren… De boze tovenaar wou helemaal niet dat de wijze tovenaar meeging. Hij wou de zeer hard gekookte eieren gebruiken om hem de kop in te slaan.Van wedden was er zelfs geen sprake. Maar! Het liep gans anders uit. De slechte magiër zette zijn punthoed op en werd met de zeer harde gekookte eieren op het hoofd bekogeld en viel dood neer. De goedhartige tovenaar, die op hetzelfde ogenblik ook zijn punthoed opzette, kwam er met de schrik van af; het eiwit en -geel waren vlug afgewassen. Toen bemerkten ze de trol en hij deed zijn verhaal. “Van ons moeten jullie niet bang zijn” zegden de tovenaar en de jongen. Samen gingen ze naar de herberg van de ouders. “Hoe lustten jullie de eieren”? vroeg de moeder. Misschien wel als een omelet” antwoordden ze en alle vier knipoogden ze naar de herbergierster…

Een reactie plaatsen

You must be ingelogd to post a comment.