De twee poorten… en de tovenaar.

Een rijke boer die veel weiland en akkers bezat, vroeg aan zijn oudste zoon, zijn dienaars van tijd tot tijd te bezoeken. De zaaitijd was immers heel belangrijk. De flinke boerenzoon zatelde zijn paard en vertrok. Tevreden keerde hij terug. Het was reeds laat in de avond en daar ontwaarde hij een nooit geziene smeedijzeren poort. Er stond een man voor de poort met een zwarte kapmantel. Hij stond voorgebogen en de jonge boer kon in de duisternis zijn gelaat niet zien. Hij vertraagde de pas en vroeg bezorgd: “Kan ik je misschien niet helpen, voelt u zich niet goed”? De gestalte stond echter bewegingsloos en zelfs dreigend. Op dat moment, liet een late vogel in de halfopen hand van de ruiter, een rood beursje glijden. “Ik kan u helpen” sprak hij, “anders mislukt uw oogst”. Nieuwsgierig opende de jonge man het beugeltje en vond er graankorrels. Op een draf haastte hij zich naar huis en bracht verslag uit aan zijn vader. “We moeten weten wat er aan de hand is” sprak deze, vannacht sluipen we er naartoe. Ze verlieten de met klimop begroeide poort van de boerderij en de zoon droeg het zakje met de graankorrels op zijn hart. Na een zekere tijd bemerkten ze de man met de zwarte kapmantel en zagen dat hij een punthoed droeg. Ze bekeken elkaar en begrepen dat het een magiër was met slechte bedoelingen. Hij had een grote zak bij zich en strooide overal zwarte grote korrels in het rond… en opeens was hij verdwenen. Ademloos keken ze toe… en de knappe boerenzoon hoorde hoe de vogel zei: “Strooi nu ook de graankorrels over de akker, alles is nog niet verloren”. Zo gezegd, zo gedaan. De oogstmaand was in zicht en op de akkers groeide het onkruid tot boven de hoofden van de boeren… Toen schitterden gouden korenaren tussen het kaf… en er ontstond een hagelbui van reuzengrote graankorrels dat al het onkruid vernietigde… Het waren goede korrels gevat in gulden halmen. Voor de derde maal weerklonk de stem van de vogel “Mijn meester is een goede, wijze tovenaar, omdat u iemand hebt willen helpen, zal uw daad overvloedige vruchten dragen”. De slechte magiër die op zijn beurt op de loer lag, werd dood aangetroffen tussen het koren. Zijn hart had het begeven, want zo groot was de haat die hij de boeren toedroeg. Hij wou zelf de eigenaar worden van de grond. Er werd een nooit geziene rijke oogst gevierd! De jonge boerenzoon echter droeg het rode beugeltje altijd op zijn hart… hij wist dat het geluk bracht!

Een reactie plaatsen

You must be ingelogd to post a comment.