De koningskroon (vanaf 11 jaar)

De kroonprins stond op het punt, als de laatste te vertrekken uit de zaal. Hij keek er met voldoening naar. Er stonden geen meubels in, wel links en rechts een dertigtal zuilen op schouderhoogte, waar zilveren driearmige kandelaars met brandende kaarsen op stonden. Toen zag hij een dienaar, die schoorvoetend aan het einde van de zaal, de kaarsen wou doven. De prins hoorde opeens een stem “Vrees niet, ik ben de wind en zal ze allen in een oogwenk doven. Die dienaar is niet betrouwbaar, hij is uw tegenstrever, om de koningskroon te bemachtigen. Ga vlug naar uw slaapvertrek en kijk door het raam.” Op hetzelfde ogenblik was de zaal in duisternis gehuld. Een sterke wind voerde de oneerlijke dienaar, tot wat verder gelegen paardenstallen. Onmiddellijk was het paleis, de stallen, het park en gans de omgeving in dichte mist gehuld. “Ik ben de mist en zal u beschermen” hoorde de prins zeggen. Een zachte stem vervolgde “Ik ben de nevelvrouw en sta ook aan uw zijde.” De prins herinnerde zich de woorden van zijn vader. Wie deze kroon ontvangt en draagt, is de toekomstige koning. Terug werden nu vele kaarsen ontstoken. Ook de volgende dag was er nevel en een dikke mist. Een lakei bracht een prachtige goudgekleurde mantel naar de erfprins. “Ik wens op een zonnige dag, aan u mijn kroon te schenken” sprak de koning liefdevol. Toen riepen de wind, de mist en de nevelvrouw, de hulp in van de donder en bliksem. “Dit komt voor elkaar” hoorde de prins zeggen. Het snode plan zal ik voor de kroning verijdelen.” De volgende dag brak de zon door. In de rugzak van de dienaar stak ook een mantel in gouddraad geweven. De bazuinen schalden en de koning trad de zaal binnen. De zilveren kandelaars schitterden in het zonlicht en er stonden tweemaal dertig brandende kaarsen. Allen aanwezigen bogen het hoofd en hoorden de koning zeggen “Binnen enige ogenblikken kunnen jullie uw nieuwe koning toejuichen.” De vorst boog zich naar zijn zoon om zijn gouden staf te nemen. Maar toen kwamen twee mannen in een goudbelegde mantel naar voren. De prins en de bedrieger. Vlug boog de bedrieger zich, zodat men zijn gelaat niet kon zien. Maar een bliksemschicht was nog vlugger en viel echter voor de voeten van de gewetenloze man en deze stond stijf van schrik. “Ik verban u naar Niemandsland en nooit kan je binnen in mijn land” klonk het uiterst streng uit de mond van de koning. Een hevige wind joeg hem verder en steeds verder… en hij verdween in een ondoordringbare mist en nevel… en kon niet meer terug. Alle genodigden hielden hun adem in op dit plechtig moment. De koning nam de koningskroon en plaatste deze op het hoofd van zijn zoon. “Ik wil in uw voetstappen treden vader” antwoordde deze ontroerd toen hij hem dankte.

Een reactie plaatsen

You must be ingelogd to post a comment.