De drie koffers… en de tovenaar.

Een burchtgraaf, die op reis was, overnachtte met zijn gevolg in een zeer goed onderhouden herberg. Iedereen had heerlijk geslapen en er moesten twaalf koffers terug naar de hofkoets gebracht worden. Na een smakelijk ontbijt begonnen de dienaars de bagage naar buiten te brengen. De waard kreeg nog een milde fooi bovenop en de reis werd verdergezet. Tot zijn ontsteltenis zag de herbergier dat er nog drie koffers in de gang stonden… Met de waardin zetten ze de vergeten koffers op een veilige plaats. Op zijn beurt telde de graaf de koffers en zei tegen de bedienden, “Er ontbreken nog drie koffers”. Onmiddellijk werd in de bagageruimte van de hofkoets gekeken, maar er ontbraken er drie… De burchtgraaf was zeer verdrietig, in de koffers staken immers de klederen voor zijn aanstaande bruiloft; ook enkele zeer kostbare sieraden en geschenken, die hij had gekozen voor zijn toekomstige bruid. Het huwelijk was binnenkort. Er stond dus niets anders op dan terug te keren de volgende dag. Een tovenaar, die in een toren van het kasteel woonde en altijd onzichtbaar gebleven was, voelde zich in zijn nopjes, hij zou er voor zorgen dat de koffers verdwenen. Hij was jaloers op de jonge graaf en wou zelf zijn plaats innemen. Hij keek in zijn glazen bol en zag de herberg en ook de plaats waar de drie koffers stonden. Onmiddellijk vertrok hij. Wat later kwam hij aan. Onzichtbaar natuurlijk. Hij nam de drie koffers en betoverde ze, zo dat ze op kleine luciferdoosjes leken. Terug in de toren, werden de kleine doosjes terug grote koffers. Hij betoverde de kledingstukken en ze pasten als gegoten. Op zijn beurt ging de graaf naar de herberg, maar hoe zij ook zochten, ze bleven onvindbaar. Drie zeer bekwame kleermakers namen daarop de maat van de graaf en zodoende verbleef hij terug in de herberg. Er werd geen enkel verwijt gestuurd naar de waard, want iedereen vermoedde, dat er magie achter dit alles zat. Een magiër was hier aan het werk geweest. Toen zond de graaf in allerijl een bericht naar zijn geliefde “Omdat ik van je hou, geef ik je me mijn trouw, en mijn kleren op de bruiloft, zijn blauw”. De grote dag was aangebroken… al de genodigden hielden hun adem in voor hun stond de bekoorlijkste bruid die er ooit op het kasteel gezien was! Eerst nam de tovenaar in prachtig rood satijn zijn plaats in, in de bruilofstzaal trok hij enkele pluimen van zijn prachtige hoed op zijn gezicht, zodat zij een gedeelte van zijn gelaat bedekten. Hij had zichzelf betoverde als de kasteelheer. Toen kwam de bruid… Toen werd er aan haar gevraagd of zij erin zou toestemmen de gravin te worden. Maar duidelijk en klaar antwoordde ze “NEEN”. Verbazing alom. De tovenaar werd bleek van woede. Toen klonk er bazuingeschal en de jonge burchtgraaf verscheen in een oogverblindend mooi blauw kostuum met gouden strepen, een eer die hij alleen kon dragen. Het plaasteren masker van de tovenaar brak en voor het eerst zag men het werkelijke gelaat van de magiër, grauw en lelijk van afgunst. “Als straf verban ik u naar het verste land van de wereld” zei hij “en geef de sieraden en geschenken terug voor mijn bruid”. De fonkelende parels in haar diadeem sierden haar, maar boven alles straalden haar blauwe ogen… “Je weet toch dat ik van blauw hou” zei hij innig. Later vonden de dienaars drie koffers in de toren… maar ze waren LEEG…

Een reactie plaatsen

You must be ingelogd to post a comment.